Ingezonden column: Shop lokaal (online)

In deze onzekere coronatijd is er veel wat ons bezig houdt, vooropstaand onze gezondheid en die van de mensen om ons heen. Een aantal mensen in onze mooie stad neemt dat gelukkig heel serieus en treft serieuze maatregelen. Maatregelen die ook door ondernemers genomen worden, zelfs zo drastisch dat ze hun (stenen) winkels moeten sluiten. Om de klanten en het personeel te beschermen tegen het ingrijpende virus… Begrijpelijk, verdrietig en zorgwekkend.

Ondertussen zijn achter de schermen veel vrijwilligers én ondernemers druk met de voorbereidingen voor verschillende evenementen in Dokkum. Besturen en stichtingen zijn in overleg en houden zich bezig met de vraag: kan ons evenement wel doorgaan? Niet eens omdat het misschien wel/niet plaats kan vinden in deze coronatijd, maar meer vanwege de vraag: we kunnen toch niet nú ondernemers lastig vallen met vragen naar bijdragen en sponsoring?! Dus worden op voorhand evenementen afgelast….

Ontzettend jammer voor Dokkum, haar inwoners, de toeristen en andere belangstellenden. Wat zal Dokkum in het voorjaar, de zomer en de winter anders zijn zonder deze prachtige en gezellige evenementen! Misschien is er daardoor wél een moment van bezinning en besef: dat al deze evenementen veelal georganiseerd én betaald/gesponsord worden door lokale ondernemers. Dat we dus juist in deze onzekere en moeilijke tijd er ook voor deze lokale ondernemers moeten zijn. Zonder onze lokale ondernemers immers geen mooie evenementen.

Hierbij een oproep van een bezorgde Dokkumer: shop lokaal! Veel ondernemers zijn momenteel ook online actief en treffen passende maatregelen, er zijn mogelijkheden genoeg. 2020 zal voor iedereen een apart jaar worden, laten we hopen dat we in 2021 er weer een gezellig jaar van kunnen maken!

Laten we goed op onszelf en de mensen om ons heen passen, op gepaste afstand uiteraard.

Groet, een bezorgde anonieme Dokkumer.

 

(3) DE (VERGULDE) HALVE MAAN

ARTISANTE  AN  DE  SYL
door Warner B. Banga & Piet de Haan

Door de koppeling van diverse archiefvermeldingen werd de locatie van een tot nu toe onbekend oudste raadhuis van Dokkum gevonden [in het noordelijke Artisante-pand aan de Hoogstraat 2]. Dit pand was in 1591 in handen gekomen van de lakenkoper Jan Hendricks. Zijn vrouw Aenck Jans overleed in 1608 en bij de inventarisatie van de gezamenlijke goederen staat onder andere de vermelding: ‘Jan Hendricks in de Halve Maan’. En even verderop in de inventarisatie: ‘…een huis in de Hoogstraat waar de Vergulde Halve Maan uithangt’ en de vermelding dat het huis destijds op 20 december 1591 van Tjaard Tjebbes gekocht was. Verdere verkopen tonen aan dat Jan Hendricks lakenkoper van De Halve Maan en zijn erfgenamen zeker tot 1667 eigenaar van het raadhuispand [Hoogstraat 2] waren.

De halve maan uit de naam van dit pand is afkomstig van het stadswapen van Dokkum dat mogelijk bij dit oude raadhuis op een bord stond of aan de gevel hing. In de Weeshuisgrondpachten vinden we de vermelding: …Geertien Cornelis weduwe ende voorde tegenwoordige iaere van 1585 eene Jan Hendrix zoon laeckencoper hange rute de halve mane…’, maar dat betrof een pand op de zuidelijke hoek van de Hoogstraat met de Lange Oosterstraat. Had Jan Hendricks dan twee panden in de Hoogstraat met dezelfde naam? Er zijn twee opties:
– Jan Hendricks’ huis uit de Weeshuis-grondpachten had al de naam ‘de halve mane’ toen hij verhuisde naar het raadhuispand. Hij nam die naam (en uithangbord) mee naar het nieuwe pand.
– De Weeshuis-grondpachten van 1585 zijn duidelijk geschreven in de tijd dat de opvolger van Jan Hendricks al eigenaar van de grondpacht was. De toevoeging ‘in de halve mane’ in de grondpachten is misschien bedoeld als onderscheid tussen hem en andere Jan Hendricksen.

Die laatste optie is interessant, want dat zou ook kunnen betekenen dat het ‘onbekende’ eerste raadhuispand al de naam ‘De Halve Maan’ had toen Jan Hendricks het kocht en dat dit mogelijk een verwijzing was naar het voormalige raadhuis met het stadswapen van Dokkum met een halve maan.

Resumerend zien we het pand van lakenkoper Jan Hendricks, die het in 1591 van Tjaard Tjebbes kocht die het op zijn beurt in 1589 van de Stad Dokkum gekocht had, als pand het huidige noordelijke Artisante-pand Hoogstraat 2: ‘het stadtsraethuijs’ [in 1582] of  ‘t’olde Raethuys’ [in 1583].

BROUWERIJ DE HALVE MAAN
In dezelfde periode dat in de Hoogstraat het voormalige raadhuispand de naam De (Vergulde) Halve Maan droeg, bevond zich honderd meter verderop aan de Diepswal een bierbrouwerij met eenzelfde naam. Die naam was in Dokkum zo populair, omdat hij refereert aan het stadswapen, waarop naast drie gouden sterren een zilveren halve maan prijkt. Brouwer van De Halve Maan was Okke Bockebloet, die naast koopman en brouwer ook een verdienstelijk tekenaar was. In 1646 vervaardigde hij een werkelijk prachtige overzichtskaart of plattegrond van het vaarwegenstelsel in de noordelijke Nederlanden. Daarop beeldde Okke centraal ook zichzelf af met een landmetersstok en een biervaatje met het merkteken van zijn brouwerij: de halve maan. (wordt vervolgd)

BIJSCHRIFT: De Bockebloet-kaart van het vaarwegenstelsel in Noord-Nederland met linksboven de stad Dockum, midden-onder de tekenaar-bierbrouwer zelf en in inzet rechtsboven het stadswapen met de halve maan.

Ut olde stadsraethuijs fan Dokkum


Pas als er schriftelijke bronnen beschikbaar komen, wordt het mogelijk om de historie van de Artisante-panden [A en B] nauwkeuriger te volgen en te beschrijven. Zo was het vroeger de gewoonte dat de voorgenomen verkoop van een woning of gebouw werd geproclameerd: dat wil zeggen dat in de stad – bij trommelslag drie keer voor de kerkdeur en drie keer voor het gerecht [= het raadhuis] – werd omgeroepen wie van plan was om welk pand te kopen en van wie.

Gelukkig voor ons zijn die proclamaties ook schriftelijk vastgelegd in de analen van het Nedergerecht van Dokkum en werd daarbij bovendien genoteerd wie de naastliggers of buren waren van het te verkopen huis. Door deze gegevens van de hele binnenstad van Dokkum in kaart te brengen, kan vrij nauwkeurig worden nagegaan wie de bewoners of eigenaren waren van bepaalde huizen, maar ook dikwijls welke gebruiksfunctie of prachtige oude namen deze huizen hadden.

Het hoekpand Diepswal-Hoogstraat [A] heeft een zeer rijke geschiedenis wat de bewoners betreft, die – voor zover op papier vastgelegd – begint met Duifje Jacobs Heerman en haar man Tiebbe Jelgers. Het hoekhuis was overigens toen, in tegenstelling tot de huidige situatie, vooral gericht op de Hoogstraat. In 1583 besloten Duifje en Tiebbe hun huis op de hoek van de Diepswal en Hoogstraat te verkopen. Een oostelijke naastligger of buurman werd niet genoteerd, maar heel opmerkelijk is de noordelijke naastligger: ‘t’olde Raethuys (!) ten noorden’ [B].

Die vermelding roept de nodige vragen op, want het ‘Olde Raadhuis’ [D] stond volgens velen toch halverwege de Hoogstraat – al of niet op de noordelijke hoek met de Lange Oosterstraat. Mogelijk ligt aan die aanname de kaart van Van Geelkercken ten grondslag; die vermeldde bij D: ‘het olde raadhuis, nu Stats School’. Door nu alle gevonden archiefstukken met daarin de vermelding Raadhuis in chronologisch volgorde te plaatsen en op een rijtje te zetten, wordt duidelijk dat een aantal proclamaties betrekking heeft op een raadhuis, waarvan het bestaan tot nu toe niet bekend was en dat niet verward moet worden met het bekende ‘Olde Raadhuis’ [D] halverwege de Hoogstraat.

Bij de verkoop op 23 juni 1582 van een woning is de noordelijke naastligger of buurman Roelof Jans en de zuidelijke naastligger wordt vermeld als ‘het stadtsraethuijs’ [B]. Door de koppeling van diverse archiefvermeldingen wordt de locatie van dit tot nu toe onbekende raadhuis  bevestigd, zoals bijvoorbeeld door een proclamatie van 20 februari 1609. Hieruit blijkt dat de Stad Dokkum het raadhuis [B] aan Tjaard Tjebbes verkocht, waarna Jan Hendricks lakenkoper de volgende eigenaar werd. Aan de Zijl werd toen een nieuw stadhuis [C] gebouwd. Het pand [B] werd in de tijd van Jan Hendricks ‘De Vergulde Halve Maan’ genoemd, waarover een volgende keer meer.

(wordt vervolgd)

BIJSCHRIFT: Situatiekaartje van de Hoogstraat met de besproken panden en recht een detail uit de (oost-west georiënteerde) Geelkercken-kaart uit 1616 van hetzelfde stadsdeel. Het Artisante-pand [A en B] op de hoek van de Diepswal is net zichtbaar naast de stadhuistoren [C].

Hartsje Dokkum


ARTISANTE  AN  DE  SYL
door Warner B. Banga & Piet de Haan

Midden in de binnenstad van Dokkum, op de plek die altijd het hart van de stad geweest is, ligt de Zijl of Syl, de oude sluis op het scharnierpunt tussen zout en zoet water, maar ook tussen zand en klei. Aan dit pleinvormige kruispunt, dat tegelijk brug en vaarroute is, stonden en staan gebouwen als het oude blokhuis met zijn renaissancetrapgevels, het statige stadhuis en dé ontmoetingsplek van Dokkum: stadscafé Artisante.

Centraler kan het niet, hartje Dokkum, op een plek, waar het al eeuwenlang gebeurt in dit gezellige, oude, haast wat kneuterige stadje. Meer dan eens wordt gekscherend gezegd dat Dokkum een stad met dorpsallures is en daarbij hoort een plek, waar men kan ontmoeten, gezellig kan tafelen en een goed glas kan drinken of de laatste nieuwtjes kan bespreken.

We weten natuurlijk niet hoe het er in de terpentijd precies uitzag op dit scharnierpunt van land en water, zout en zoet of klei en wouden. De eerste beelden die opdoemen uit het grijze verleden zijn oude kaarten en plattegronden in zogenaamd vogelvluchtperspectief, gemaakt door de cartograaf Jacob van Deventer in de tweede helft van de zestiende eeuw in opdracht van de ‘Koninck van Hispanje’ Philips II. Laten we daar maar zo’n beetje beginnen met ons verhaal over deze bijzondere plek. In de tijd van Van Deventer stonden daar versterkte adellijke huizen of stinzen; aan de noordkant van het Diep de stadsstins van de familie Meckama en ten zuiden van de brug het Blokhuys, gebouwd op de plek waar al rond 1400 nog de stins van Alteka Camstra en later van Offe Riemersma stond. In deze versterkte huizen konden edelen en stadsbestuurders zich in tijden van beleg en opstand terugtrekken en verdedigen tot bevriende troepen hen kwamen ontzetten en orde op zaken stelden.

Tegenover en rond die stinzen en blokhuizen werd natuurlijk ook gebouwd en gewoond. Vaak hadden voorname Dokkumer families hier hun optrekjes, want dit was – the place to be – de plaats om te zijn en gezien te worden voor wie meetelde in het zestiende-eeuwse Dokkum. Aan de overkant van de ‘hoge straat’ was het hoekhuis aan de Diepswal zo’n markante toplocatie. Wie het zich kon permitteren om daar te wonen, had het in Dokkum vaak wel gemaakt.

Toen Dokkum een steeds beter georganiseerd stadsbestuur kreeg, wilde men natuurlijk ook vergaderen en bijeenkomen op de prominentste plek in de stad. Aanvankelijk was daarvoor geen plaats in het stadshart aan De Zijl, maar zodra die kans zich – rond 1610 – voordeed, verkaste het stadsbestuur naar de plek waar nu nog altijd het fraaie stadhuis staat. Maar in de periode daarvoor maakte men gebruik van een ander stadsraadhuis, waarover de volgende keer meer.

(wordt vervolgd)

BIJSCHRIFT: Inzet: Jacob van Deventer-kaartje van Doccum rond 1560 en schilderij van De Zijl rond 1750 door een anonieme schilder met links het stadhuis met een fraaie barokgevel en rechts op de hoek van de Diepswal het voorname ‘Artisante-pand’.

Kerk & Staat van Dokkum


Ik loop der al un skòft met om, mar ut mut mij an ut begin fan ut nije jaar tòg fan ut hart: der binne raadsleden in oans moaie, nije gemeente dy’t kerk en staat skeiden houwe wille en dêrom teugen un raadsaal in de Bonnefatiuskerk fan Dokkum binne.
Se wille nyt allenug roomser dan de paus weze, mar hale òk ut ferskil tussen un institút en un gebouw deurmekaar. Se hewwe dit jaar gyn Sinteklaas fierd en se geve nooit gyn euro’s út met “GOD ZIJ MET ONS” op’e rand: dan skeide je kerk en staat nameluk òk nyt…
Skeiding fan kerk en staat betekent in’e praktyk feral dat elk syn eigen saken regelt en dat de ien him nyt met de ander bemoeit. Dat het te maken met gelike behanneling, frijhyd fan godsdiënst en met oanze wet, dy’t boven de religy staat, mar nyt met ut gebrúk fan gebouwen of de saal wêr’t jou fergadere!

Nutterd en ik ferbaze oans mateloas over de slappe argumenten dêr’t oans magistraat un nije raadsaal – op ut dak fan hur feul te hoge blokkedoas in oans stadsje – naar sichself toeprate wil: “Un raadsaal mut altyd beskikbaar weze en kinne en wille wij dêrom nyt dele met anderen!” Tussen frijdagsmòrgens en maandagsmòrgens is ut gemeentehús útstorven en hew ik nòg nooit un ambtenaar of raadslid op kantoar betrappe kinnen, dus gyn probleem tòg at ‘er sondags un kear kerkt wurdt in su’n raadsaal-kerke? Dêr kinne je tòg met elkaar afspraken over make?

Kerkgenoatskappen kinne trouwes òk in heel kleine groepen en in heel kleine rúmtes bij elkaar komme, su’t de roomsen dat jarenlang deen hewwe toen hur geloof tussen 1580 en 1853 in Nederland – en òk Dokkum – offisjeel ferboaden war. Toen kerkten se in hur skúlkerkje an de Koaningstraat. En toen ut na 1853 wear in’t openbaar mòcht, wúden se dat elk ut wete sú òk en lieten se op de Bargemerk nyt allenug de groatste, mar òk de moaiste kerk fan de stad delsette – deur ien fan de bêste arsjitekten fan dat moment. Met un toaren dy’t boven allus útsteekt: hier binne wij wear!
Ont-suiling en ontkerkeluking hewwe der ondertussen foar sorgd dat der amper mear kerkt wurdt in al disse moaie, kultuurhistoaryske gebouwen. Oans regering het lagere overheden dan òk dringend oproepen om na te denken over wat wij met al dy faak monumintale kerken doën wille en hoe wij se miskien un andere funksy geve kinne. Dy siën de bui al hangen… Ut plan om in Dokkum un raadsaal in de Bonnefatiuskerk te maken fyn ik “out of the box” – om ut mar us in moai Nederlâns te sêgen.

Wij mutte oans goëd bedenke wat wij over un paar jaar doën wille met al dy kerkeluke gebouwen en monuminten, dêr’t steeds minder mênsen gebrúk fan make sille. Nou en in de toekomst. De gerifformearde Oasterkerk is un goëd foarbeeld fan hoe’t je su’n gebouw in de stad behouwe kinne. De Bonnefatiuskerk kin un twiede wurde… Want wat at over twintug of dertug jaar de toren fan de roomse kerk fan bouwfallegens op ut gemeentehús dondert? Hoe wille wij kerk en staat dan nòg skeide?

Wilstou reageare? Da ’s moai, mar in ut Dokkumers graag! Myn grammatika is òk nyt perfekt en dou hest ien foardeel: der is gyn faste nòrm foar ut Stads, dus skryf su ast’ praatst!
warner.b.banga@knid.nl

BROOD & DEELDER IN DOKKUM

De nachtburgemeester fan Rotterdam is doad. Hij overleed fan’e week en jimme kin ut nyt mist hewwe, want alle media hadden ut der over. Nou bin ik Jules Deelder en Herman Brood un paar kear teugenkommen, dus ik docht dat sil ik jim even fertelle.

De earste kear war in de Fryslandhal in Lúwarden. Dêr war un bedrivenbeurs, ut sil begin negentiger jaren weest hè. Ik liep dêr tegare met un kòllega rond en toen kwamen we in un hoek van de hal Herman Brood teugen. Hij had un groate rol linnen en dan konnen je foar dúzend gulden ‘un meter Brood’ kope: hij maakte ut terplekke. Myn frouw fynt syn werk ferskrikkeluk leluk en wú ut nyt in ’e hús hè, mar myn kòllega het toen mar twee meter kòcht. We konnen ut nyt futendaleks metnimme, want ut was nog nat en sat nog an de rol fast. Dus wij binne later mar met syn tweeën naar Zwolle gaan om ut in syn atelier op te halen.

Herman sat achter un kompjoeter met syn mús in un tekenprogramma te werken. Dat printte hij dan op A4 út. Op’e gron lag un houten plankje met daar un snee broad in útsaagd. Met syn spuitbussen spoat hij su de broadsjes op syn A4-tjes. Ivo de Lange bleek syn manager kunst te wezen. Dy sorgde derfoar dat er in de Fryslandhal en su kwam en ferkocht syn skilderijen.

Mar wete jim dat Herman Brood òk wel in Dokkum weest is, tegare met syn maten Jules Deelder en Bart Chabot? Dat was eind jaren negentig in theater De IJsherberg, wêr’t hij tegare met Bart Chabot en Jules Deelder un try-out had van de foarstelling Apocrief. Ut war mar un try-out en Dokkum war un moai end fut foar de mannen, dus ut maakte allemaal blykbaar gyn donder út wat se deden. Herman war su stoned as un garnaal en hat gyn idee wêr at ‘er met bezug was. Deelder en Chabot wadden der skynbaar al nyt feul beter an toe, dus de hele foarstelling was un grote gaòs en ging nergens over. Ut was de meest waardeloaze foarstelling dy ’t ik ooit siën hè, mar ik was blyd dat ik ut metmaakt had. Toen de foarstelling aflopen was, ging ik as ien fan de earsten naar búten en wy stonnen dêr om mij persoanlek de han te drukken, ja krekt: Herman, Bart en Jules! Hoe ’t dy su gauw omlope konnen sonder mekaar kwyt te raken, snap ik nou nog nyt.

Nutterd