Hoewel men in de Bonifatiusstad niets te klagen had over de kwaliteit van het water dat als basis diende voor een prima biertje, werd de pret pas goed bedorven, toen de plaatselijke overheid – na de Waalse Furie altijd op zoek naar financiële middelen voor dure projecten en herstelwerkzaamheden – wilde profiteren van het feit dat er altijd en overal bier gedronken werd. Dat was al begonnen toen in de Lage Landen een oorlog uitbrak met de ‘Coninck van Hispanje’ die zo’n tachtig jaar duurde en handen vol geld kostte. ‘Om den tegenwoordigeen crych te beter te becostigen ende te moegen onderholden’ stelden de Staten van Friesland in augustus 1580 de zogenaamde ‘Generale Middelen’ in. Door het heffen van provinciale belastingheffingen of accijns op consumptiegoederen als bier, wijn en granen probeerde men die oorlog te bekostigen, wat door de gewone man en consument vaak met grote tegenzin werd geaccepteerd.

Naast de geïmporteerde, zogenaamde ‘vreemde bieren’ uit binnen- en buitenland, werd er steeds meer ‘ingebrouwen’ bier gedronken, mede omdat de kwaliteit van het in Dokkum gebrouwen bier steeds beter werd, vooral dankzij het zuivere water uit de Fetze- en Bonifatiusfontein die de brouwers hier tot hun beschikking hadden. Die toename van consumptie en productie was ook de plaatselijke overheid niet ontgaan en al op 30 juli 1588 vinden we in het Oudt Resolutieboeck van Dockum een resolutie waarin voor het eerst een impost of gemeentelijke belasting werd ingesteld op mout en binnen Dokkum gebrouwen bier:


Voor iedere last mout die in Dokkum ‘verbrouwen’ was of elke ton ‘ingebrouwen’ bier die door de tappers in de of waarden in de plaatselijke herbergen en drinklokalen uitgetapt werd, moesten vijf stuivers impost betaald worden. De belasting op de mout moest door de brouwers betaald worden, terwijl de tappers en waarden van de herbergen en bierlokalen opdraaiden voor de accijns op het door hen uitgetapte bier.

Die opbrengst was bestemd voor de verbouw en het uitbreiden van de Sint Martinuskerk, de ‘Cleyne Cercke’, die in 1588 de ‘Grote Kerk’ van Dokkum geworden was en na de sloop van de Bonfatiusabdijkerk met het vrijgekomen sloopmateriaal werd uitgebreid met een noordbeuk. Zo betaalden de brouwers en tappers, maar uiteindelijk natuurlijk de bierdrinkers uit Dokkum voor de verfraaiing en uitbreiding van het Godshuis op de terp. Het stadsbestuur gebruikte de bierbaten verder om ‘andere extraordinaire lasten’ in de stad mee te bekostigen. Proost!

door Warner B. Banga & Piet de Haan

BONIFATIUSBIER SINDS 754

Grote Kerk- Bulthuis

Deel dit bericht: